Veelgestelde vragen
Wij hebben een idee voor Windpark Ondersloot. Wij kunnen ons voorstellen dat u hierover vragen heeft. Daarom hebben wij een lijst met veel gestelde vragen gemaakt. Staat uw vraag er niet bij? Neem dan contact met ons op. Wij staan u graag te woord.
Over Windpark Ondersloot
Duurzaam energiebedrijf Pure Energie uit Enschede is momenteel de enige initiatiefnemer. Klik hier om meer te lezen over Pure Energie.
Er kan nog een initiatiefnemer bij komen. Een lokale energiecoöperatie of andere entiteit waarin de omgeving is vertegenwoordigd kan mee-investeren in het windpark en er mede-eigenaar van worden. Inwoners uit de omgeving kunnen dan mee-investeren in het windpark en er mede-eigenaar van worden.
Het plangebied van Windpark Ondersloot ligt in de gemeente Ommen. Het plangebied ligt ten noorden van de N36, ten oosten van het bestaande Windpark de Veenwieken en ten westen van het Zwarte Pad. We zien hier op basis van vuistregels ruimte voor maximaal vijf windmolens.

Geel omcirkeld het plangebied voor het windpark
Als er ontwikkelingen zijn rondom ons idee voor Windpark Ondersloot, dan zullen we dat delen op deze website en via de nieuwsbrief. U kunt zich via de groene knop op de homepagina inschrijven voor de nieuwsbrief of door een mail te sturen naar: info@windparkondersloot.nl onder vermelding van 'verzoek inschrijven nieuwsbrief'.
Mail ons via info@windparkondersloot.nl of vul het contactformulier in op deze website. Wij nemen dan zo snel mogelijk contact met u op.
Ook kunt u ons telefonisch bereiken:
U kunt bellen met Pieter Oosterhof (omgevingsmanager) via: 06 22 35 44 79.
Communicatie en participatie
Pure Energie staat voor openheid en transparantie richting de omgeving. Dat staat in onze aanpak centraal. Dat kan als omwonende die goed op de hoogte wil blijven of als omwonende die via een omgevingsraad wil meedenken en -praten tijdens het ontwikkelproces. We hebben onze communicatie- en participatieaanpak in de loop der jaren verder ontwikkeld. Het doorlopen van het ontwikkelproces met een omgevingsraad van omwonenden en lokale maatschappelijke organisaties, is hier een voorbeeld van. Tussentijds houden we de rest van de omgeving, in overleg met de omgevingsraad, goed op de hoogte. Daarnaast bieden we de omgeving vanaf het eerste uur de mogelijkheid om voor 50% eigenaar te worden van het project, om het project vanuit gelijkwaardig partnerschap samen vorm te kunnen geven.
Omwonenden kunnen mede-eigenaar van het windpark worden. Hiervoor kunnen zij zich bijvoorbeeld organiseren in een energiecoöperatie. Zo’n energiecoöperatie heeft als doel om het geld van een windpark in de gemeenschap te houden door mede-eigenaar van het windpark te worden. Omwonenden verdienen daarmee aan het windpark.
Daarnaast biedt Pure Energie verschillende omwonendenregelingen zoals het Burentarief en het omgevingsfonds. Wat het best bij de omgeving past kan onder andere in een omgevingsraad worden besproken.
Ecologie
Ons is bekend dat draaiende windmolens effect kunnen hebben op vogels en vleermuizen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat vogels windmolens ontwijken (barrièrewerking), wat invloed kan hebben op de mogelijkheden voor vogels om hun foerageergebied te bereiken, of dat ze tegen de wieken aanbotsen. Ook vleermuizen kunnen sterven door windmolens. Daarom voeren we bij elk initiatief voor windmolens een ecologisch onderzoek uit. Daarbij wordt onder andere gekeken hoeveel extra sterfte van vogels en vleermuizen er te verwachten is, of dit gevolgen heeft voor de instandhouding van de populatie en of er maatregelen nodig zijn. We moeten hierbij ook voldoen aan de Wet natuurbescherming. Overigens is de sterfte van vogels door een aanvaring met een wiek zeer gering vergeleken met andere doodsoorzaken zoals katten, verkeer, ramen, landbouw, jacht, en hoogspanningsleidingen.
Er sterven wel insecten door windmolens, net zoals bij verkeer, maar voor zover bij ons bekend vormen windmolens geen gevaar voor de insectenpopulatie. Er is in 2018 een Duitse studie gedaan, waaraan ook in Nederland aandacht is besteed, maar er zijn de nodige kanttekeningen te plaatsen bij de zorgvuldigheid van deze studie. Daarnaast zijn er menselijke factoren van insectensterfte die een vele malen grotere invloed lijken te hebben op insectensterfte dan windmolens of verkeer. Zie voor meer informatie ook de factcheck van Nu.nl.
Voor zover bij ons bekend hebben windmolens geen invloed op het bodemleven rondom de fundering van de windmolen.
Het elektriciteitsnetwerk
Nederland is hard bezig het elektriciteitsnetwerk te transformeren. Het wordt nu nog vooral gevoed door fossiele brandstoffen en het is de bedoeling dat deze worden vervangen door andere energiebronnen zoals windmolens. Het is een grote opgave om daarbij het elektriciteitsnetwerk in balans te houden. Hier wordt hard aan gewerkt met onder andere energie-opslag en het combineren van energiebronnen die elkaar aanvullen zoals zonne- en windenergie. Als het hard waait, schijnt vaak de zon beperkt of niet en als de zon schijnt, waait het vaak minder hard. In grote delen van Nederland is er door de grootschalige ontwikkeling van zonne-energie een toenemende behoefte aan windenergie.
Duurzaamheid
Een windmolen gaat zo'n 25 tot 30 jaar mee. Wanneer een windmolen gesloopt wordt is zo'n 90% van het materiaal al te recyclen. Het gaat daarbij om staal, koper, aluminium, beton en andere goed recyclebare materialen waarmee de molen gebouwd is.
De bladen/wieken van een windmolen bestaan uit glas of carbon vezels en kunsthars/epoxy. Die zijn op dit moment nog lastiger goed te recyclen. Daar wordt echter wel aan gewerkt en dat heeft veel aandacht. TNO heeft hiervoor al een manier ontwikkeld waarop dit zou kunnen werken. De gebruikte vezels worden teruggewonnen uit de bladen en kunnen vervolgens hergebruikt worden.
Er is een samenwerking van 18 organisaties opgezet die deze terugwinning van vezels verder ontwikkelen. Ook de makers van windmolens zijn hier al druk mee bezig. De eerste windmolens met beter recyclebare bladen zijn al geplaatst. Beter recyclen van de bladen is daarmee technisch oplosbaar en dat zullen we de komende jaren dan ook steeds meer gaan zien.
Op dit moment gaan moderne windmolens technisch 25 tot 30 jaar mee. Na ongeveer zes maanden heeft een windmolen de hoeveelheid energie opgewekt die nodig was om de windmolen te produceren en te installeren.
Veel onderdelen van windmolens kunnen hoogwaardig worden gerecycled: zoals het beton en metaal van de mast en de fundering en metalen in de elektrotechnische installaties. Grote windmolenfabrikanten en startups ontwikkelen technieken om in de nabije toekomst ook hoogwaardige recycling van wieken mogelijk te maken.
Verder komt het regelmatig voor dat Nederlandse windmolens worden ontmanteld, worden opgeknapt en in een ander land weer worden opgebouwd. Ze kunnen dan langer duurzame energie opwekken en in Nederland kunnen nieuwere windmolens worden geplaatst.
Dat kan, maar omdat we geen kunststoffen in het milieu willen brengen en omdat we willen dat de windmolens optimaal werken, houden wij tijdens onderhoud goed in de gaten of er sprake is van beschadiging of slijtage. Als het nodig is nemen we snel actie.
Over windenergie
Windenergie is effectief in de strijd tegen de klimaatverandering, omdat windmolens bij het opwekken van windenergie geen CO2, fijnstof, stikstofoxiden, zwaveldioxide en andere vervuilende stoffen uitstoten. Windenergie is schoon, onuitputtelijk en de goedkoopste vorm van duurzame energie. Daarnaast is Nederland een echt windland, het waait in ons land vaak en hard.
De meeste energie die we in Nederland gebruiken komt uit fossiele brandstoffen. Bij de verbranding komt CO2 vrij. Doordat er steeds meer CO2 in de atmosfeer komt, stijgt de temperatuur op aarde en dat kan ingrijpende gevolgen hebben voor mens, dier en natuur. Nederland heeft zich gecommitteerd aan de afspraken van het klimaatakkoord van Parijs om de klimaatverandering binnen de perken te houden. Daarom is het belangrijk dat we het gebruik van fossiele brandstoffen verminderen. Dat kan door minder energie te gebruiken en door over te stappen op bronnen die schone energie produceren. Dat zijn onder andere wind, zon, water en aardwarmte.
In het tv-programma 'Zondag met Lubach' van 4 februari 2018 is aandacht besteed aan groene stroom. Hieruit blijkt dat veel Nederlanders op papier thuis groene stroom hebben, maar dat in de praktijk dit vaak toch niet zo is. Ook laat het zien dat er nog veel meer duurzame energie moet worden opgewekt in Nederland om aan de klimaatdoelstellingen te kunnen voldoen. Klik hier om het filmpje te bekijken.
De Consumentenbond, Greenpeace, WISE en Natuur & Milieu onderzoeken ook elk jaar hoe duurzaam de Nederlandse energieleveranciers zijn: welke energiemaatschappij levert echt groene stroom en welke niet? Lees daar meer over op de website van de Consumentenbond. Hier is ook het recentste onderzoeksrapport naar de Nederlandse energieleveranciers te vinden.
Boven de mast staat de gondel, de plek waar bijna alle techniek zit en waar de wieken aan vastzitten. In de gondel zit een generator. De generator is een grote dynamo die de draaiende beweging van de wieken omzet in elektriciteit. Om de draaiende beweging sneller te maken, zit in de gondel bij een deel van de windmolens ook een tandwielkast. De tandwielen laten een as sneller draaien zodat de relatief langzaam draaiende wieken via deze as uiteindelijk toch genoeg snelheid opleveren om elektriciteit te kunnen opwekken. Er zijn ook zogeheten direct drive-windmolens die geen tandwielkast nodig hebben.
Meer over hoe een windmolen werkt, kunt u hier lezen. Hoe wordt een windmolen gebouwd? Klik hier om daarover een filmpje te zien.
Heel belangrijk, want de stroomopbrengst is afhankelijk van de hoogte van de windmolen. Met name de rotordiameter is belangrijk. Hoog in de lucht waait het vaker en harder. Hoe groter de rotordiameter, hoe meer wind de wieken vangen en hoe meer stroom de windmolen opwekt. Over het algemeen geldt de regel: als de wieken van een windmolen twee keer zo groot zijn, is de opbrengst (in kWh) vier keer zo hoog. De trend in Nederland is dat windmolens daarom steeds hoger worden, omdat ze dan veel meer elektriciteit opwekken. Dat zorgt ervoor dat windenergie ook steeds efficiënter wordt opgewekt en dus goedkoper om te produceren. Lees hier meer over het belang van de hoogte van een windmolen.
Een grotere windmolen mag niet meer geluid veroorzaken op de gevel van een woning of meer slagschaduw veroorzaken dan een kleinere. Een grotere windmolen maakt niet automatisch meer geluid dan een kleinere windmolen, dat verband blijkt niet uit de gegevens van moderne, grotere windmolens. Een grotere, nieuwe windmolen kan bijvoorbeeld zelfs stiller zijn dan een kleinere, oude windmolen doordat de nieuwste technieken op bijvoorbeeld het gebied van geluidsreductie in die nieuwe windmolen zijn toegepast.
Lichtschittering kan ontstaan doordat zonlicht op de draaiende wieken schijnt. Om dit te voorkomen, worden de wieken van de windmolens voorzien van een anti-reflecterende coating of een matte verf.
Economisch gezien wordt een windmolen doorgaans in vijftien jaar afgeschreven, technisch gaat een windmolen al gauw 25 jaar mee. Wanneer de molens aan het einde van hun technische levensduur komen, wordt er de afweging gemaakt of de windmolen kan blijven staan of dat deze beter kan worden ontmanteld. Het verwijderen van een windmolen kan vaak kostenneutraal, omdat veel onderdelen hergebruikt kunnen worden. Wat ook regelmatig voorkomt, is dat een windmolen wordt ontmanteld, wordt opgeknapt en op een andere plek weer wordt opgebouwd om vervolgens nog langer duurzame energie op te wekken.
Nederland is hard bezig om het elektriciteitsnetwerk duurzamer te maken. Het elektriciteitsnetwerk wordt nu nog deels gevoed door fossiele brandstoffen. Deze worden steeds meer vervangen door duurzame energiebronnen zoals windmolens. Het is een grote opgave om daarbij het elektriciteitsnetwerk in balans te houden. Dit is nodig omdat het elektriciteitsnet anders op sommige momenten te zwaar kan worden belast: dit wordt ook wel netcongestie genoemd.
Hier wordt hard aan gewerkt met het uitbreiden van het elektriciteitsnet, het ontwikkelen van energieopslag en het lokaal combineren van opwek door wind en zon. Als het hard waait, schijnt namelijk vaak de zon beperkt of niet en als de zon schijnt, waait het vaak minder hard. In grote delen van Nederland is er door de grootschalige ontwikkeling van zonne-energie als aanvulling daarop een toenemende behoefte aan windenergie.
Door het combineren van wind, zon en energieopslag kun je een kabelaansluiting slimmer gebruiken. Samen met het directe gebruik van stroom kan dit helpen de netcongestie te verminderen, waardoor meer huizen en bedrijven aangesloten kunnen worden.
Een korte filmpje van Natuur & Milieu waarin antwoord wordt gegeven op tien vragen over windmolens. Dat zijn vragen zoals hoeveel zonnepanelen er nodig zijn om evenveel te produceren als een windmolen.
Natuur & Milieu beantwoordt op de eigen website ook veel vragen over windmolens. Klik daarvoor hier.
Factcheckers en 'mythes' over windmolens
Onafhankelijk medium De Correspondent heeft factcheckers over windmolens gemaakt:
Over gezondheid van omwonenden.
Over toerisme en windmolens.
Helpen windmolens het klimaat?
Over de subsidie van windmolens.
De website www.wattisduurzaam.nl heeft een factcheck over duurzame energie gemaakt. Klik daarvoor hier.
Natuur & Milieu gaat in op 'mythes' over duurzame energie. Klik daarvoor hier.
Greenpeace heeft een aantal redenen waarom deze organisatie positief staat tegenover windmolens. Klik daarvoor hier.
Op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) staat ook meer informatie over onder meer de regels die gelden voor windmolens met betrekking tot onder andere geluid, slagschaduw en veiligheid.
NedZero behartigt de belangen van windenergie. In NedZero werken alle organisaties en bedrijven die in Nederland actief zijn op het gebied van windenergie samen.
Over windmolens
Om te bepalen of een locatie geschikt is voor een windmolen, wordt gekeken naar onder andere woningen in de omgeving, bedrijven, natuurwaarden, landschapswaarden, de aanwezigheid van hoogspanningslijnen, gasleidingen, wegen en wettelijke normen voor geluid en slagschaduw. Er wordt veel onderzoeken gedaan naar onder andere al deze thema’s om duidelijk te krijgen of de windmolen er kan staan, waarbij wordt voldaan aan alle regels en normen die hiervoor gelden.
Beschikbaarheid van energie vinden we vanzelfsprekend; het licht in huis doet het altijd. Maar we staan er vaak niet bij stil dat de productie van energie uit aardgas of steenkool blijvende schade toebrengt aan ons leefmilieu. Bij de verbranding van deze brandstoffen komen namelijk schadelijke gassen vrij. Denk aan het broeikasgas CO2 dat tot verandering van ons klimaat leidt. Ook raken de fossiele brandstofvoorraden op de lange termijn op. Daarom moeten we overschakelen naar duurzame alternatieven. Internationaal is een klimaatverdrag afgesproken (‘het akkoord van Parijs’) om de uitstoot van CO2 te verminderen. De doelstelling is dat Nederland in 2030 49 procent minder CO2 uitstoot. Daarvoor moet onder andere de opwekcapaciteit fors worden uitgebreid. Naast bijvoorbeeld zonne-energie, bio-energie en aardwarmte zijn er ook windmolens nodig. Samen met maatschappelijke organisaties heeft de Nederlandse regering het Klimaatakkoord gesloten om vaart te maken met de opwekking van duurzame energie.
Ondanks de succesvolle ontwikkelingen van windmolens op zee zijn er ook windmolens op land nodig. Anders wekken we als land niet genoeg duurzame energie op. Verder zijn er ook veel zonnepanelen nodig (op daken en op velden), aardwarmte, energiebesparing, biomassa en wellicht nog wel meer duurzame bronnen en technieken. Het plaatsen van windmolens op zee is in de afgelopen jaren flink goedkoper geworden, maar dat heeft daar geen invloed op. Ook in het landelijke Klimaatakkoord dat ervoor moet zorgen dat Nederland in 2030 49 procent minder CO2-uitstoot, is uitgesproken dat er naast windmolens op zee ook veel windmolens én zonnepanelen op land nodig zijn. In dit bericht van 2 november 2023 legt de Rijksoverheid uit waarom er ook windmolens op land nodig zijn.
Ook subsidie voor windmolens op zee
Daarnaast klopt het niet dat windmolens op zee geen subsidie krijgen, zoals regelmatig wordt gesteld. Deze krijgen ook subsidie, maar dan in een andere vorm.
Bij windmolens op zee stelt de overheid het gebied waar de molens komen ter beschikking. De overheid laat ook alle voorbereidingen op eigen kosten uitvoeren. Dat zijn bijvoorbeeld alle onderzoeken die moeten worden gedaan, de (gerechtelijke) procedures die nodig zijn voor de vergunningen en het contact met betrokkenen uit de omgeving. Ook de netaansluiting – de kabel waarmee de stroom van de windmolens op het elektriciteitsnet komt – wordt verzorgd en betaald door de Nederlandse overheid en daarmee dus door de belastingbetaler. Dit is bijvoorbeeld in september 2018 bevestigd door de Algemene Rekenkamer: ook windmolens op zee krijgen subsidie, tot en met 2023 is daar 4 miljard euro voor gereserveerd. Lees meer hierover in het nieuwsbericht en achterliggende rapport van de Algemene Rekenkamer.
Bij windmolens op land komen al deze voorbereidingen en kosten voor rekening van de initiatiefnemers van de windmolens. Bij het maken van een plan voor windmolens is dit een grote kostenpost en ook het meest risicovol. Stel dat alle voorbereidingen worden getroffen, maar het plan uiteindelijk toch niet mag worden uitgevoerd? Dan zijn de initiatiefnemers al het geld dat ze erin hebben gestoken kwijt.
Bij wind op zee neemt de overheid dat risico en die kosten over van de bedrijven die de windmolens willen bouwen. Daardoor kunnen die bedrijven goedkoper windmolens bouwen. Daarom zeggen nu sommige bedrijven dat ze in de exploitatie – dus als de windmolens er staan en stroom opwekken – geen subsidie meer nodig hebben. Maar dat kan dus alleen omdat deze windmolens op zee in het voortraject in een andere vorm subsidie hebben ontvangen.
Verder kost het ongeveer evenveel om met een windmolen op land een kilowattuur groene stroom op te wekken als met een windmolen op zee. Al jaren daalt de kostprijs van elektriciteit die wordt opgewekt door windmolens op land. Daardoor daalt ook de subsidie die deze windmolens krijgen hard. Windmolens op land zijn en blijven één van de meest kostenefficiënte vormen van duurzame energie. De verwachting is zelfs dat wind op land op relatief korte termijn (in 2025) zonder subsidie kan, zo blijkt uit onderzoek in opdracht van branchevereniging NedZero. U kunt dat onderzoek 'Kostprijsanalyse Windenergie op Land' hier vinden.
Windmolens krijgen (beperkt) subsidie van de overheid, maar het overgrote deel van de inkomsten van windmolens – op zee én op land – komt steeds vaker uit de verkoop van de opgewekte elektriciteit. De subsidie wordt verrekend met de elektriciteitsprijs: als de elektriciteitsprijs hoger is, krijgen exploitanten van windmolens minder of geen subsidie per opgewekte kilowattuur (kWh). Hierdoor bestaan de inkomsten van windmolens inmiddels vaak voor het grootste deel uit de verkoop van elektriciteit en nog maar een klein deel uit subsidie. De verwachting is dat de subsidie de komende jaren verder daalt en mogelijk zelfs verdwijnt. De overheid wil ook dat er zo min mogelijk tot geen subsidie nodig is voor duurzame elektriciteit.
SDE++-subsidie
Om de productie van duurzame elektriciteit te stimuleren, verstrekt de Nederlandse overheid al enige jaren subsidie aan exploitanten van onder andere windmolens en zonneparken. Deze SDE++-subsidie vergoedt het verschil tussen de kostprijs van duurzame energie (wat kost het om de elektriciteit te produceren?) en de opbrengst van grijze energie uit kolen- en gascentrales. Zo kunnen windmoleneigenaren hun gemaakte kosten terugverdienen, maar tegelijkertijd hun stroom met een concurrerende prijs aanbieden aan consumenten. De subsidie wordt voor een periode van 15 jaar toegekend.
Hoofddoel SDE++: veel duurzame energie tegen zo laag mogelijke kosten
De inzet van de overheid is dat de SDE++ het exploiteren van de meest rendabele technologie mogelijk maakt. Omdat de ontwikkelingen hierin snel gaan, daalt de SDE++ vrijwel jaarlijks flink. De subsidie die exploitanten van windmolens per kWh krijgen, wordt dus steeds minder. Om te zorgen dat de windmolens rendabel zijn, moet de kostprijs van een kWh geproduceerd door een windmolen omlaag. Daarvoor zijn grotere windmolens nodig die efficiënter produceren. Een grotere windmolen is weliswaar iets duurder in aanschaf. Maar doordat deze veel meer stroom produceert, zijn de kosten per kWh veel lager. Als de wieken twee keer zolang worden, wekt een windmolen vier keer zoveel op. Op grotere hoogte waait het bovendien harder. Daardoor produceert een hogere windmolen meer elektriciteit. De kosten kunnen dan over veel meer kWh's worden uitgesmeerd. Daardoor kunnen de windmolens financieel uit met minder subsidie per kWh. En tegelijkertijd zijn kleinere windmolens met een hogere kostprijs per kWh dus niet meer mogelijk.
De hoeveelheid subsidie per kWh is de afgelopen jaren met tientallen procenten gedaald. Alleen de modernste windmolens met grote afmetingen zijn nog rendabel.
Te weinig wind? Dan ook geen subsidie
De SDE++-subsidie wordt pas achteraf uitgekeerd over de elektriciteit die de windmolen daadwerkelijk heeft opgewekt. Als er te weinig wind is, wekt de windmolen niks op. Dan wordt er dus ook geen SDE++-subsidie uitgekeerd.
Voordat een windmolen wordt geplaatst, wordt goed in beeld gebracht wat het windaanbod is op die locatie. Dit gebeurt vaak met windmetingen. Aan de hand van deze metingen is de te verwachten opbrengst van de windmolen goed te berekenen. Als daaruit blijkt dat het hier niet hard genoeg waait, zal geen bank of andere financier deze windmolen financieren en komt er dus geen windmolen. De subsidie die pas achteraf wordt uitgekeerd, verandert daar niets aan.
Als bedrijven die stroom maken uit kolen en gas ook zouden opdraaien voor de schade die hun CO2- uitstoot veroorzaakt, zou windenergie de goedkoopste vorm van elektriciteit zijn. De CO2-uitstoot van kolen en gas zorgt namelijk voor klimaatverandering. Het kost miljarden om Nederland aan te passen aan onder andere de hogere zeespiegel en hardere regenbuien als gevolg van klimaatverandering. Ook zorgt verbranding van kolen en gas voor luchtverontreiniging en daardoor voor gezondheidsklachten. Deze maatschappelijke kosten neemt de samenleving als geheel nu voor haar rekening en niet de energiebedrijven die deze schade veroorzaken.
Meer over hoe een windmolen werkt, wordt eenvoudig uitgelegd in dit filmpje.
Hoe wordt een windmolen gebouwd? Klik hier om daarover een filmpje te zien.
Dit kan, maar het hoeft niet. Het kan ook juist zijn dat je windmolens niet of nauwelijks hoort door al aanwezig ander geluid, zoals van een weg (het geluid wordt dan gemaskeerd). Wij laten voor een vergunningsaanvraag uitgebreid onafhankelijk onderzoek doen naar geluid en de effecten daarvan: ook in combinatie met andere geluidsbronnen. De overheid zal het onderzoek en de uitkomsten ervan beoordelen.
Ja, in principe wel. Maar een windmolen staat ook wel eens stil. Bijvoorbeeld voor onderhoud of als het niet waait. Dit laatste komt beperkt voor. Moderne windmolens hebben erg weinig wind nodig om toch te draaien en elektriciteit op te wekken. Ook bij hele harde wind (windkracht 9-10) kan een molen uit veiligheidsoverwegingen worden uitgezet, maar dit komt ook zelden voor. Daarnaast wordt een molen ook wel eens stilgezet om slagschaduw op nabijgelegen woningen te voorkomen (bij een bepaalde stand van de zon).
Een windmolen gaat zo'n 25 tot 30 jaar mee. Wanneer een windmolen gesloopt wordt, is op dit moment zo'n 90% van het materiaal al te recyclen. Het gaat daarbij om staal, koper, aluminium, beton en andere goed recyclebare materialen waarmee de windmolen gebouwd is.
De wieken van een windmolen bestaan uit glas- of carbonvezels en kunsthars (ook wel: epoxy). Die zijn op dit moment nog lastiger goed te recyclen. Daar wordt echter wel aan gewerkt en dat heeft veel aandacht. TNO heeft hiervoor al een manier ontwikkeld waarop dit zou kunnen werken. De gebruikte vezels worden teruggewonnen uit de bladen en kunnen vervolgens worden hergebruikt.
Er is een samenwerking van 18 organisaties opgezet die deze terugwinning van vezels verder ontwikkelt. Deze samenwerking heet EoLO-HUBs. Klik hier om er meer over te lezen. Ook de makers van windmolens zijn hier al druk mee bezig. De eerste windmolens met beter recyclebare bladen zijn al geplaatst. Beter recyclen van de bladen is daarmee technisch oplosbaar en dat zullen we de komende jaren dan ook steeds meer gaan zien.
Op dit moment gaan moderne windmolens 25 tot 30 jaar mee. Na ongeveer zes maanden heeft een windmolen al zoveel duurzame elektriciteit opgewekt dat de CO2-uitstoot is gecompenseerd die vrijkwam bij het maken en de bouw van de windmolen.
Veel onderdelen van windmolens kunnen hoogwaardig worden gerecycled: zoals het beton en metaal van de mast en de fundering en metalen in de elektrotechnische installaties. Grote windmolenfabrikanten en startups ontwikkelen technieken om in de nabije toekomst ook hoogwaardige recycling van wieken mogelijk te maken.
Verder komt het regelmatig voor dat Nederlandse windmolens worden ontmanteld, worden opgeknapt en in een ander land weer worden opgebouwd. Ze kunnen dan langer duurzame energie opwekken en in Nederland kunnen nieuwere, windmolens worden geplaatst die per stuk veel meer energie opwekken.
Over effecten van windmolens
In de wetgeving zijn geen minimale afstanden tussen windmolens en bijvoorbeeld woningen opgenomen. De afstand tot woningen wordt bepaald aan de hand van de normen voor onder andere geluid, slagschaduw en veiligheid. Het zijn daarin vooral de geluidsnormen die bepalen hoever een windmolen van bijvoorbeeld woningen moet staan.
Een vuistregel uit de praktijk is dat er doorgaans circa 400 meter afstand nodig is tussen een windmolen en bijvoorbeeld een woning van derden om aan de geluidsnormen te kunnen voldoen. In een vroegtijdig stadium van een windproject kan deze vuistregel ter indicatie worden gehanteerd.
In een later stadium van een windproject wordt onder andere een geluidsonderzoek uitgevoerd. Daaruit blijkt precies of bij woningen in de omgeving kan worden voldaan aan de geluidsnormen en welke afstand er nodig is tussen de windmolen en bijvoorbeeld woningen om te voldoen aan de normen.
De afstand die nodig is om aan de geluidsnormen te voldoen, kan per windproject verschillen. Zo draagt geluid verder over water of veel verharding. Dus als de windmolen in een omgeving met veel water of verharding staat, kan het zijn dat de windmolen op iets grotere afstand moet staan om bij omliggende woningen de geluidsnormen niet te overschrijden dan in een omgeving waar bijvoorbeeld de bodem zachter is (denk aan weilanden of bos) die het geluid meer absorbeert. Hier wordt in het geluidsonderzoek rekening mee gehouden.
Windmolens wekken veel groene stroom op en zijn belangrijk om Nederland vergaand te verduurzamen. Zo worden we voor onze energie minder afhankelijk van fossiele energie én het buitenland. Maar zoals u misschien al weet, maken windmolens ook geluid. Veel mensen hebben daar vragen over. Daarom leggen we hieronder uit hoe het zit met het geluid van windmolens. Welk geluid maken windmolens en wat kunnen omwonenden daarvan merken?
De belangrijkste informatie op een rij
- Veruit het meeste geluid van windmolens komt van de draaiende wieken en de wind die langs de wieken gaat. Dat is een zoevend geluid.
- Grotere windmolens maken niet automatisch meer, harder of ander geluid dan kleinere windmolens. Een grotere, moderne windmolen kan soms zelfs stiller zijn, dankzij nieuwe technieken die het geluid verminderen.
- Windmolens maken mensen niet automatisch ziek. Wel kunnen mensen hinder ervaren van het geluid. Dat veroorzaakt stress en dat is op de lange termijn ongezond. Natuurlijk ervaren omwonenden minder hinder als het geluid zachter is. Maar er zijn meer factoren van invloed op het wel of niet ervaren van hinder. Bijvoorbeeld of iemand de windmolen vanuit het raam ziet. Hoe is de omwonende betrokken bij het plan voor de windmolen? Heeft de omwonende er zelf financieel voordeel van?
- Het effect van windmolens op de gezondheid van omwonenden wordt al jarenlang continu in de gaten gehouden. Onder andere het RIVM houdt alle nieuwe, internationale wetenschappelijke informatie in de gaten. De conclusie is tot nu toe nog steeds dezelfde: windmolens kunnen hinder veroorzaken, maar veroorzaken niet allerlei gezondheidsklachten. Dat is dus anders dan soms wel wordt beweerd.
Welk geluid maakt een windmolen en wat kunnen omwonenden daarvan merken?
Het meeste geluid van een windmolen komt van de draaiende wieken en de wind die langs de wieken zoeft. Het geluid is niet constant. Hoeveel geluid een omwonende kan horen, hangt voor een belangrijk deel af van de omstandigheden. Als het bijvoorbeeld hard waait, maakt de windmolen meer geluid. Maar de harde wind zelf kan dan zoveel geluid maken, dat je de windmolen niet meer hoort. Waait het minder hard, dan valt het geluid van de windmolen misschien juist meer op. Woon je aan een drukke weg, dan overstemt het verkeersgeluid vaak dat van de windmolen. Ook kan het overdag en ’s nachts verschillen wat je van de windmolen hoort, bijvoorbeeld doordat het in de omgeving ’s nachts stiller is dan overdag.
Grotere windmolen maakt niet meer, harder of ander geluid
Om direct een veelgestelde vraag te beantwoorden: grotere windmolens maken niet automatisch meer, harder of ander geluid dan kleinere windmolens. Dit is al vaak onderzocht. Er is geen verband tussen een grotere windmolen en het geluid. Een grotere, moderne windmolen kan soms zelfs stiller zijn doordat nieuwe technieken worden gebruikt die het geluid verminderen. Hoeveel geluid een windmolen maakt, hangt grotendeels af van het type. Het ene type windmolen is stiller dan het andere.
Windmolens maken mensen niet automatisch ziek
Veel mensen vragen zich af of het geluid van windmolens omwonenden ziek kan maken. Windmolens maken omwonenden niet automatisch ziek. Wel kunnen mensen hinder ervaren van het geluid. Lange tijd ergens hinder van hebben, veroorzaakt stress. Dat is op de lange termijn ongezond. Voor het verband tussen windmolens en diverse ernstige gezondheidsproblemen bij omwonenden is tot nu toe geen wetenschappelijk bewijs voor gevonden.
Het effect van windmolens op de gezondheid van omwonenden wordt internationaal al jaren continu in de gaten gehouden, bijvoorbeeld door het RIVM. Het RIVM stuurt hierover elke drie maanden een update naar de landelijke overheid. De conclusie is tot nu toe nog steeds dezelfde: windmolens kunnen geluidshinder veroorzaken, maar veroorzaken niet allerlei gezondheidsklachten. Dat is dus anders dan soms wel wordt beweerd.
Meer hierover staat op de website van het RIVM. Ook staat meer hierover in een publicatie (29 oktober 2020) van het RIVM. Lees verder meer hierover in deze vraag en antwoord-rubriek van het RIVM. In deze factsheet 'Gezondheidseffecten van windturbinegeluid' van het RIVM (januari 2025) wordt dit nader toegelicht.
Wanneer heb je last van het geluid van windmolens?
Natuurlijk ervaren omwonenden minder hinder als het geluid zachter is. Maar er zijn meer factoren van invloed op het wel of niet ervaren van hinder. Bijvoorbeeld of iemand de windmolen vanuit het raam ziet. Hoe is de omwonende betrokken bij het plan voor de windmolen? Heeft de omwonende er zelf financieel voordeel van? Als iemand goed betrokken is bij het plan voor de windmolen of er mede-eigenaar van is via bijvoorbeeld een energiecoöperatie, dan is de kans dat iemand hinder ervaart kleiner. Ook dat blijkt al jaren uit wetenschappelijke onderzoeken die onder andere het RIVM bijhoudt.
Voor veel geluidsbronnen - denk aan wegen en fabrieken- zijn er geluidsnormen. Die normen moeten ervoor zorgen dat omwonenden er niet te veel hinder van hebben. Ook voor windmolens (specifiek: voor windparken van drie of meer windmolens) komen er normen, maar die zijn er op dit moment nog niet. De landelijke overheid werkt aan nieuwe normen. Wel heeft de overheid in 2023 conceptnormen gepubliceerd. Deze conceptnormen gelden dus nog niet.
Voor deze conceptnormen is veel onderzoek gedaan naar geluid van windmolens en het effect daarvan op omwonenden. Hieronder leggen we uit waarom er nu geen normen zijn, wat de conceptnormen zijn en hoe we ervoor kunnen zorgen dat omwonenden niet te veel hinder hebben van het geluid. Ook vatten we belangrijke informatie uit het onderzoek voor de conceptnormen samen. Stel dat deze conceptnormen definitief worden en dat voortaan deze regels gelden voor windmolens. Dan weet u na het lezen van onderstaande informatie hoe omwonenden door de normen worden beschermd tegen hinder.
De belangrijkste informatie op een rij
- Volgens de conceptnormen mag het geluid bij woningen niet meer zijn dan 45 dB Lden en 39 dB Lnight. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie adviseert de norm van 45 dB Lden.
- Als het geluid bij woningen 45 dB Lden is, ervaart gemiddeld 5% van de omwonenden ernstige hinder. Het geluid is bij veel woningen vaak (veel) minder dan 45 dB Lden. Dan is dus ook de kans dat omwonenden hinder ervaren (veel) kleiner.
- 45 dB Lden is een gewogen jaargemiddelde. Dat is geen gewoon gemiddelde. Daardoor zal het geluid bij een woning nooit boven 45 dB uitkomen.
- De conceptnormen zijn maximaal 45 dB Lden en 39 dB Lnight op de gevel van woningen in de buurt van een windmolen. Het maakt niet uit of een windmolen groter of kleiner is. Ook maakt het niet uit of het om één of om meer windmolens gaat. Verder maakt het niet uit of het gaat om één, enkele of veel woningen rondom de windmolen. De normen en dus de hoeveelheid geluid die bij woningen mag ontstaan, blijven hetzelfde.
Waarom zijn er nu geen landelijke normen?
In juni 2021 stelde de Raad van State de landelijke geluidsnormen buiten werking vanwege een procedurele fout. Daarmee zei de Raad van State niet dat de geluidsnormen voor windmolens niet goed waren, maar dat bij het bepalen van de normen een milieueffectonderzoek (planMER) had moeten worden uitgevoerd. De Nederlandse overheid heeft daarom alsnog zo’n onderzoek uitgevoerd. Op basis van dat onderzoek zijn in 2023 conceptgeluidsnormen opgesteld. Deze conceptnormen zijn strenger dan de normen die in 2021 buiten werking zijn gesteld. Er zijn in 2023 veel reacties gekomen op de conceptnormen. De landelijke overheid denkt na, mede naar aanleiding van al die reacties, over wat de definitieve normen moeten worden. Wanneer er definitieve normen worden vastgesteld door de landelijke overheid, is op dit moment niet bekend.
Wat als de conceptnormen ook de definitieve normen worden? Hoe beschermen die omwonenden tegen hinder?
Het geluid bij woningen mag volgens de conceptnormen niet meer zijn dan 45 dB Lden en 39 dB Lnight. Ook de Wereldgezondheidsorganisatie adviseert 45 dB Lden. Lden staat voor het geluidsniveau in ‘day’ (dag), ‘evening’ (avond) en ‘night’ (nacht).
Als het geluid bij woningen 45 dB Lden is, dan ervaart gemiddeld 5% van de omwonenden ernstige hinder van het geluid. Dit geldt dus als het geluid bij een woning zoveel is als volgens de norm maximaal is toegestaan. Het geluid is bij veel woningen vaak (veel) minder dan 45 dB Lden. En dus is ook de kans dat omwonenden hinder ervaren (veel) kleiner. Het geluid in de avond en nacht telt zwaarder mee in de berekening van het geluidsniveau. Het is dan stiller en omwonenden kunnen het geluid van de windmolen dan beter horen, terwijl het geluid van de windmolen min of meer hetzelfde blijft.
De conceptnormen zijn maximaal 45 dB Lden en 39 dB Lnight op de gevel van woningen in de buurt. Het maakt niet uit of een windmolen groter of kleiner is. Ook maakt het niet uit of het om één of om meer windmolens gaat. Verder maakt het niet uit of het gaat om één, enkele of veel woningen rondom de windmolen. De normen en dus de hoeveelheid geluid die bij woningen mag ontstaan, blijven hetzelfde.
Overigens gelden deze normen - als deze definitief worden - ook voor andere zogeheten geluidgevoelige objecten zoals scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven.
Voor deze conceptnormen zijn de nieuwste wetenschappelijke inzichten gebruikt. In het onderzoek is uitgegaan van moderne, grote windmolens met een tiphoogte van 235 en 280 meter. Daarbij zijn gegevens gebruikt van gecertifieerde geluidsmetingen bij vergelijkbare windmolens, gegevens uit de praktijk dus.
Vergelijkbare bescherming als omwonenden van snelweg of bedrijventerrein
Uit het onderzoek van de landelijke overheid blijkt – en dat was al langer bekend – dat mensen het geluid van een windmolen sneller hinderlijk vinden, dan bijvoorbeeld ander geluid met evenveel decibellen. Dat komt door het karakter van het geluid. Zo maakt een snelweg vaak harder geluid dan een windmolen, maar vinden mensen een snelweg minder snel hinderlijk doordat dit geluid constanter is. Daarom mogen windmolens – als de conceptnormen ook de definitieve normen worden - minder geluid veroorzaken bij woningen, dan bijvoorbeeld snelwegen of bedrijventerreinen. Omwonenden van windmolens worden daardoor op een vergelijkbare en mogelijk zelfs strengere manier beschermd tegen hinder als omwonenden van een snelweg of bedrijventerrein.
Helemaal geen hinder voor omwonenden is niet mogelijk
Helaas lukt het niet om hinder voor direct omwonenden helemaal te voorkomen. Het doel van normen is om het leefklimaat en de gezondheid van omwonenden te beschermen én windmolens te kunnen bouwen die hard nodig zijn om aan de toenemende vraag naar duurzame energie te voldoen. Dit is net als bij andere ruimtelijke ontwikkelingen. Als maatschappij accepteren we dat een klein deel van de inwoners hier last van heeft, in het belang van het collectief.
Een gewogen jaargemiddelde versus een gewoon jaargemiddelde?
De concept geluidsnormen worden uitgedrukt in Lden en Lnight. Lden is een gewogen jaargemiddelde. Door het woord ‘gemiddeld’ vragen veel mensen ons of dit betekent dat de windmolen soms heel veel geluid mag maken. En dat als de windmolen dan langere tijd stiller is, het dan gemiddeld goed is. Een gewogen jaargemiddelde werkt anders.
Lden is geen gewoon gemiddelde, maar een strengere berekening. Lden staat voor het geluidsniveau in ‘day’ (dag), ‘evening’ (avond) en ‘night’ (nacht). In de berekeningen van de Lden-norm telt het geluid in de avond en nacht zwaarder mee, omdat het ’s avonds en ’s nachts stiller is waardoor omwonenden het geluid sneller kunnen horen. Bij het geluid van de windmolen in de avond wordt in de berekeningen 5 decibel opgeteld en in de nacht zelfs 10 decibel. Dat is een theoretische verhoging. De windmolen maakt ’s avonds en ’s nachts vrijwel evenveel geluid als overdag, maar volgens de berekening dus veel meer. Dit heet een gewogen jaargemiddelde. In de praktijk blijkt dat met een norm van 45 dB Lden de piek van het geluid van een windmolen bij een woning niet boven 45 decibel uitkomt.
Lnight is wel een ‘gewoon’ gemiddelde voor het geluid in de nacht. Dus de ene keer kan het geluid bij een woning ’s nachts iets meer zijn dan 39 decibel, als het dan de andere keer maar minder is. Uit het onderzoek dat is gedaan voor de landelijke conceptnormen, blijkt dat het geluid bij woningen maximaal 2 tot 4 decibel hoger kan zijn, dan de norm in Lnight. Dus bij een norm van 39 dB Lnight is de piek van het geluid bij woningen maximaal 41 tot 43 decibel.
Lden en Lnight: al jaren goede methode voor allerlei geluid
Lden en Lnight zijn best ingewikkeld. Toch is het goed om te weten dat deze dosismaten niet alleen voor windmolens, maar voor veel meer omgevingsgeluid gebruikt worden. Tot nu toe is dit sinds 2002 op Europees niveau beoordeeld als beste methode om het effect van geluid over een langere periode te beoordelen. De Wereldgezondheidsorganisatie gebruikt Lden om te bepalen welk geluid acceptabel is voor de gezondheid van omwonenden. Ook in wetenschappelijke onderzoeken die duidelijk maken hoeveel mensen gemiddeld hinder hebben bij een bepaalde hoeveelheid geluid, zijn Lden en Lnight de meestgebruikte dosismaten.
Uitgebreid onderzoek naar geluid voor elke windmolen
Iedereen die een windmolen ontwikkelt, is verplicht om eerst geluidsonderzoek te doen. Dit onderzoek gaat volgens een landelijk geldende methode. Dat onderzoek moet aantonen dat de windmolen aan de geluidsnormen voldoet. Dat zijn mogelijke locatiespecifieke normen en de landelijke conceptnormen. In dat onderzoek wordt met veel dingen rekening gehouden. Zo draagt geluid verder over water of verharding en moet de windmolen verder van de woning geplaatst worden om aan de geluidsnormen te voldoen. Het geluidsonderzoek levert altijd een plattegrond op waarop de grens van – als we uitgaan van de conceptnormen – 45 dB Lden en 39 dB Lnight staat aangegeven. Ook kan specifiek voor een adres berekend worden hoeveel geluid daar kan ontstaan. Verder kan de optelsom van geluidsbronnen gemaakt worden. Ligt er bijvoorbeeld al een drukke weg en een bedrijventerrein? Komt daar een windmolen bij, neemt dan het totale geluid toe? En is dat nog acceptabel? Met het geluidsonderzoek kan worden bepaald verantwoord een windmolen kan worden geplaatst. Het bevoegd gezag besluit of er uiteindelijk wel of geen toestemming komt voor het plan. Het onderzoek is ook voor omwonenden heel nuttig, omdat er veel informatie in staat over het te verwachten geluid.
Hoe zit het met laagfrequent geluid?
Windmolens maken ook laagfrequent geluid, net als allerlei andere geluidsbronnen dat doen. Maar windmolens maken niet meer of ander laagfrequent geluid dan die andere bronnen. Bovendien houden de conceptgeluidsnormen daar rekening mee. Die gaan uit van het brede spectrum van geluid: van lage tot hoge frequenties. Verder produceren windmolens slechts in beperkte mate laagfrequent geluid. In het onderzoek dat gedaan is om tot de landelijke conceptnormen voor geluid te komen, is ook laagfrequent geluid meegenomen. Dat onderzoek bevestigt dat windmolens maar in beperkte mate laagfrequent geluid maken. Klik hier om dat onderzoek te lezen. Ook het RIVM constateert al jaren op basis van (internationaal) wetenschappelijk onderzoek dat laagfrequent geluid van windmolens geen ander effect heeft dan het ‘normale’ geluid. Er zijn richtlijnen om te bepalen of de hoeveelheid laagfrequent geluid voor (veel) hinder zorgt bij omwonenden. Met een norm van 45 dB Lden wordt (ruimschoots) voldaan aan deze richtlijnen.
Hoe zorg je dat de normen niet worden overschreden?
Uiteindelijk gaat het erom de geluidsnormen bij woningen in werkelijkheid niet worden overschreden. Om dat voor elkaar te krijgen, is het belangrijk eerst zeker te weten dat het type windmolen niet meer geluid maakt dan is toegezegd. Fabrikanten van windmolens moeten volgens vaste meetmethodes aangeven hoeveel geluid hun windmolen maakt. Als de windmolen dan is gebouwd, kan de proef op de som worden genomen. Zo weten we zeker dat wat de fabrikant heeft beloofd, ook wordt waargemaakt.
Welke normen gelden zolang er geen landelijke normen zijn?
Dat er nu geen landelijke normen gelden, betekent niet dat er geen windmolens kunnen worden geplaatst. De Raad van State benadrukte in de uitspraak in juni 2021 dat er voor een specifiek project, specifieke lokale normen kunnen worden vastgesteld. De voorwaarde voor dergelijke specifieke normen is dat er een goede, op de lokale situatie toegesneden motivatie aan de normen ten grondslag ligt. Of dit mogelijk is, moet per project worden besproken met betrokken overheden. Lees meer hierover op de website van de Raad van State en de Helpdesk Wind op Land. Overigens wordt vaak pas bij het beoordelen van een vergunningaanvraag bekeken welke normen van toepassing zijn. Tussen de start van een project en de aanvraag van een vergunning kunnen meerdere jaren zitten.
De bronnen voor deze uitleg zijn met name de nota van toelichting die onderdeel is van de concept landelijke geluidsnormen, het uitgebreide onderzoeksrapport (planMER) dat is opgesteld ter onderbouwing van de concept landelijke geluidsnormen en een onderzoek naar laagfrequent geluid van windmolens dat onderdeel is van dit planMER.
Windmolens maken ook laagfrequent geluid, net als allerlei andere geluidsbronnen dat doen. Maar windmolens maken niet meer of ander laagfrequent geluid dan die andere bronnen. Bovendien houden de (concept) geluidsnormen daar rekening mee. Die gaan uit van het brede spectrum van geluid: van lage tot hoge frequenties. Verder produceren windmolens slechts in beperkte mate laagfrequent geluid. In het onderzoek dat gedaan is om tot de landelijke conceptnormen voor geluid te komen, is ook laagfrequent geluid meegenomen. Dat onderzoek bevestigt dat windmolens maar in beperkte mate laagfrequent geluid maken. Klik hier om dat onderzoek te lezen.
Ook het RIVM constateert al jaren op basis van (internationaal) wetenschappelijk onderzoek dat laagfrequent geluid van windmolens geen ander effect heeft dan het ‘normale’ geluid. Er zijn richtlijnen om te bepalen of de hoeveelheid laagfrequent geluid voor (veel) hinder zorgt bij omwonenden. Met een norm van 45 dB Lden (op dit moment de concept landelijke norm) wordt (ruimschoots) voldaan aan deze richtlijnen.
In een publicatie (29 oktober 2020) van het RIVM staat dat ook. Laagfrequent geluid van windmolens speelt geen bijzondere rol en leidt niet aantoonbaar tot nadelige gezondheidseffecten. In deze factsheet 'Gezondheidseffecten van windturbinegeluid' van het RIVM (januari 2025) wordt dit ook nader toegelicht.
Er wordt ook gesproken over een norm die in Denemarken geldt voor laagfrequent geluid. De Nederlandse normen voor geluid (zowel de oude landelijke norm als de concept landelijke norm) en deze Deense norm komen in de praktijk goed overeen. Dat blijkt ook uit onderzoek dat is gedaan bij twee nieuwe windparken in Nederland met grote, moderne windmolens. Door te voldoen aan de Nederlandse geluidsnormen wordt hier ook voldaan aan de Deense norm voor laagfrequent geluid.
Er is geen direct verband aangetoond tussen windmolens en een verslechterende gezondheid van omwonenden. Daar is veel onderzoek naar gedaan. In de factsheet ‘Windturbines en gezondheid’ van het RIVM (januari 2025) wordt dat ook nader toegelicht. De regels en normen voor windmolens zijn ingesteld om omwonenden te beschermen.
Wel kan het geluid van windmolens hinderlijk zijn voor omwonenden. Dat geldt voor alle vormen van geluid, bijvoorbeeld ook het geluid afkomstig van wegen en bedrijventerreinen. Als geluid erg hinderlijk wordt, kan dat stress opleveren en op de lange termijn is dat ongezond. Daarom zijn er strenge normen voor windmolens ingesteld die omwonenden beschermen tegen te veel hinder, zodat hun gezondheid wordt beschermd. Dit gebeurt volgens dezelfde systematiek waarmee omwonenden worden beschermd tegen geluidshinder van bijvoorbeeld een drukke weg. Hierin wordt ook rekening gehouden met laagfrequent geluid.
Daarnaast blijkt uit onderzoek dat de mate waarin een omwonende hinder ervaart niet alleen wordt veroorzaakt door het aantal decibellen dat die persoon hoort. Zowel het RIVM, de GGD als de Wereldgezondheidsorganisatie concludeert dat omwonenden minder hinder ervaren als zij goed worden betrokken bij de planvorming voor de windmolens en/of als zij er financieel voordeel van hebben. In de RIVM publicatie van 29 oktober 2020 en de RIVM factsheet van 25 januari 2025 wordt dit bevestigd.
Het NIVEL publiceerde in 2023 een uitgebreide studie naar de relatie tussen gezondheid en windturbines. Dit onderzoek is gebaseerd op de medische dossiers van ruim 500.000 omwonenden die wonen in een straal van 5 km van een windmolen in Nederland. De medische dossiers van deze mensen werden (anoniem) statistisch vergeleken met medische dossiers van andere Nederlanders die op meer afstand wonen. Daarbij keek NIVEL naar cirkels rondom windmolens van 500, 1000, 2000 en 5000 meter.
Dit onderzoek laat zien dat voor een klein aantal mensen die op kortere afstand wonen symptomen als spanningshoofdpijn en negatieve/depressieve gevoelens wat vaker gezien worden. Het gaat echter om kleine aantallen.
Er zijn geen verbanden gevonden tussen dichterbij windmolens wonen en door de huisarts gediagnostiseerde gezondheidsproblemen. Denk aan problemen als o.a.: moeheid, slapeloosheid, hartkloppingen, hypertensie, hoofdpijn, concentratieproblemen enz. In totaal gaat het om 30 gezondheidsproblemen die niet vaker voorkomen rondom windmolens.
Laagfrequent geluid
Windmolens maken ook laagfrequent geluid, net als allerlei andere geluidsbronnen dat doen. Maar windmolens maken niet meer of ander laagfrequent geluid dan die andere bronnen. Bovendien houden de (concept) geluidsnormen daar rekening mee. Die gaan uit van het brede spectrum van geluid: van lage tot hoge frequenties. Verder produceren windmolens slechts in beperkte mate laagfrequent geluid. In het onderzoek dat gedaan is om tot de landelijke conceptnormen voor geluid te komen, is ook laagfrequent geluid meegenomen. Dat onderzoek bevestigt dat windmolens maar in beperkte mate laagfrequent geluid maken. Klik hier om dat onderzoek te lezen.
Ook het RIVM constateert al jaren op basis van (internationaal) wetenschappelijk onderzoek dat laagfrequent geluid van windmolens geen ander effect heeft dan het ‘normale’ geluid. Er zijn richtlijnen om te bepalen of de hoeveelheid laagfrequent geluid voor (veel) hinder zorgt bij omwonenden. Met een norm van 45 dB Lden (op dit moment de concept landelijke norm) wordt (ruimschoots) voldaan aan deze richtlijnen.
In een publicatie (29 oktober 2020) van het RIVM staat dat ook. Laagfrequent geluid van windmolens speelt geen bijzondere rol en leidt niet aantoonbaar tot nadelige gezondheidseffecten. In deze factsheet 'Gezondheidseffecten van windturbinegeluid' van het RIVM (januari 2025) wordt dat ook nader toegelicht.
Er wordt ook gesproken over een norm die in Denemarken geldt voor laagfrequent geluid. De Nederlandse norm voor geluid en deze Deense norm komen in de praktijk nagenoeg overeen. Dat blijkt ook uit onderzoek dat is gedaan bij twee nieuwe windparken in Nederland met grote, moderne windmolens. Door te voldoen aan de Nederlandse geluidsnorm wordt hier ook voldaan aan de Deense norm voor laagfrequent geluid. U kunt deze notitie hier lezen.
Nee. Een grotere windmolen mag niet meer geluid veroorzaken op de gevel van een woning of meer slagschaduw veroorzaken dan een kleinere. De regels bepalen hoeveel geluid en slagschaduw er op de gevel van bijvoorbeeld een woning mag worden veroorzaakt. Dat blijft gelijk, ondanks het formaat van de windmolen of het aantal windmolens.
Een grotere windmolen maakt niet automatisch meer geluid dan een kleinere windmolen, dat verband blijkt niet uit de gegevens van moderne, grotere windmolens. Een grotere, nieuwe windmolen kan bijvoorbeeld zelfs stiller zijn dan een kleinere, oude windmolen doordat de nieuwste technieken op bijvoorbeeld het gebied van geluidsreductie in die nieuwe windmolen zijn toegepast. Daarnaast draaien grotere windmolens aanzienlijk rustiger rond dan kleinere windmolens. Dat zorgt voor een rustiger beeld.
Dat grotere windmolens niet meer geluid maken dan kleinere, wordt ook toegelicht in deze factsheet 'Gezondheidseffecten van windturbinegeluid' van het RIVM (januari 2025).
In het blad Geluid van september 2024 werd geanalyseerd of grotere windmolens meer geluid produceren. Dat verband blijkt er niet te zijn. Klik hier om dit artikel te lezen.
Ja. Met slimme technologie kunnen fabrikanten het geluid van windmolens beperken. Een voorbeeld hiervan is het aanbrengen van kleine driehoekige ‘tandjes’ om het zoevende geluid van rotorbladen te verminderen. Dit wordt ook wel uilenveren-technologie of ‘serrated trailing edges’ genoemd.
Windmolens wekken veel groene stroom op en zijn belangrijk om Nederland vergaand te verduurzamen. Zo worden we voor onze energie minder afhankelijk van fossiele energie én het buitenland. Maar zoals u misschien al weet, veroorzaken windmolens ook slagschaduw. Veel mensen hebben daar vragen over. Daarom leggen we hieronder uit hoe het zit met de slagschaduw van windmolens en wat omwonenden daarvan kunnen merken.
De bewegende schaduw van draaiende wieken
Slagschaduw is de bewegende schaduw van de draaiende wieken van een windmolen. Deze schaduw ontstaat als de zon tegen de windmolen schijnt. Als deze bewegende schaduw bijvoorbeeld over ramen van woningen gaat, kan dat hinderlijk zijn voor bewoners. Gebeurt dat, dan is het in huis wisselend lichter en donkerder (een flikkerend effect) en is er een bewegende schaduw op een muur in een kamer te zien. Dat kan de bewoner een onrustig, vervelend gevoel geven.
Slagschaduwgebied verschilt per moment
Waar en wanneer slagschaduw ontstaat, verschilt per dag en per seizoen. In de zomer staat de zon hoger aan de hemel. Daardoor is de schaduw korter en is het gebied waar slagschaduw ontstaat kleiner. In de winter is dit gebied groter, omdat de zon dan lager aan de hemel staat en dus de schaduw langer is.
In de ochtend ontstaat de slagschaduw ten westen van de windmolen, omdat de zon dan vanuit het oosten schijnt. In de avond is dat andersom: de zon schijnt vanuit het westen en dus ontstaat de slagschaduw ten oosten van de windmolen. Rond het middaguur staat de zon in het zuiden en ontstaat slagschaduw ten noorden van de windmolen. Er is nooit slagschaduw ten zuiden van de windmolen, want de zon schijnt nooit vanuit het noorden.
Op de afbeelding hieronder ziet u waar en wanneer slagschaduw kan ontstaan rondom een windmolen.
De vlindervormige lijn geeft aan waar slagschaduw kan ontstaan in welk jaargetijde. Zo ontstaat op de vroege ochtend in de lente en zomer de schaduw ten zuidwesten van de windmolen. Dit kan een lange schaduw zijn. Maar enkele uren later is de schaduw dan al korter, omdat de zon later in de ochtend hoger aan de hemel staat.
Er komt een norm voor de slagschaduw van windmolens. Deze norm zal de hoeveelheid slagschaduw die bijvoorbeeld bij woningen mag ontstaan, beperken. Maar deze norm voor windmolens (specifiek: voor windparken van drie of meer windmolens) is er op dit moment nog niet. De landelijke overheid werkt aan een nieuwe norm. Wel heeft de overheid in 2023 een conceptnorm gepubliceerd. Deze conceptnorm geldt dus nog niet.
Voor deze conceptnorm is veel onderzoek gedaan naar slagschaduw van windmolens en het effect daarvan op omwonenden. Hieronder leggen we uit waarom er nu geen norm is, wat de conceptnorm is en hoe we ervoor kunnen zorgen dat hinder van slagschaduw voor omwonenden beperkt blijft. Stel dat deze conceptnorm definitief wordt en dus voortaan geldt voor windmolens. Dan weet u na het lezen van deze informatie hoe omwonenden door de norm worden beschermd tegen hinder.
De belangrijkste informatie op een rij
- Volgens de conceptnorm mag een woning maximaal zes uur per jaar en maximaal twintig minuten per dag worden geraakt door de slagschaduw. Ook als de windmolen groter wordt of als er meerdere windmolens bij elkaar staan, mag een woning volgens de conceptnorm in totaal maximaal zes uur per jaar en maximaal twintig minuten per dag worden geraakt door slagschaduw.
- Slimme apparatuur houdt precies bij wanneer welke woning door slagschaduw wordt geraakt. Als er meer dan zes uur per jaar of meer dan twintig minuten slagschaduw per dag dreigt te ontstaan bij een woning, zet die apparatuur de windmolen tijdelijk stil om te voorkomen dat er te veel slagschaduw ontstaat.
- Het is heel goed te voorspellen waar en wanneer slagschaduw ontstaat. Dankzij het slagschaduwonderzoek kan zelfs voor een huis precies worden berekend wanneer in het jaar en hoe laat op de dag slagschaduw bij die woning kan ontstaan. Dat kan via een slagschaduwkalender. Dat is nuttige informatie voor omwonenden.
Waarom is er nu geen landelijke norm?
In juni 2021 stelde de Raad van State de landelijke norm voor slagschaduw buiten werking vanwege een procedurele fout. Daarmee zei de Raad van State niet dat de norm voor slagschaduw niet goed was, maar dat bij het bepalen van de norm een milieueffectonderzoek (planMER) had moeten worden uitgevoerd. De Nederlandse overheid heeft daarom alsnog zo’n onderzoek uitgevoerd. Op basis van dat onderzoek is in 2023 een conceptslagschaduwnorm opgesteld. Deze conceptnorm is strenger dan de norm die in 2021 buiten werking is gesteld. Er zijn in 2023 veel reacties gekomen op de conceptnorm. De landelijke overheid denkt na, mede naar aanleiding van al die reacties, over wat de definitieve norm moet worden. Wanneer er een definitieve norm wordt vastgesteld door de landelijke overheid, is op dit moment niet bekend.
Wat als de conceptnorm ook de definitieve norm wordt? Hoe beschermt deze omwonenden tegen hinder?
Volgens de conceptnorm voor slagschaduw mag een woning maximaal zes uur per jaar en maximaal twintig minuten per dag worden geraakt door de slagschaduw. Ook als de windmolen groter wordt of als er meer windmolens bij elkaar staan, mag een woning in totaal maximaal zes uur per jaar en maximaal twintig minuten per dag worden geraakt door slagschaduw.
Dit geldt voor alle woningen in een gebied van twaalf keer de rotordiameter van een windmolen. Als een windmolen een rotordiameter heeft van 200 meter (een wiek is dan 100 meter lang), geldt voor alle woningen in een gebied van 2.400 meter rondom de windmolen deze conceptnorm.
Verder telt alle slagschaduw mee die wordt veroorzaakt vanaf het moment dat de zon drie graden boven de horizon staat. Dus als de zon net op is en boven de horizon zichtbaar is, telt de dan mogelijk veroorzaakte slagschaduw al mee voor de norm.
Overigens geldt deze norm -als deze definitief wordt- ook voor andere zogeheten slagschaduwgevoelige objecten zoals scholen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingshuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven.
Deze conceptnorm is in 2023 gepubliceerd door de landelijke overheid. Voor deze conceptnorm is gebruik gemaakt van de nieuwste wetenschappelijke inzichten. Ook is er uitgegaan van moderne, grote windmolens met een tiphoogte van 235 en 280 meter. Op basis van deze wetenschappelijke inzichten blijkt dat met deze conceptnorm het aantal mensen dat ernstige hinder ervaart van de slagschaduw beperkt blijft.
Uitgebreid onderzoek naar slagschaduw voor elke windmolen
Iedereen die een windmolen ontwikkelt, is verplicht om eerst een slagschaduwonderzoek te doen. Dit onderzoek gaat volgens een landelijk geldende methode. In dat onderzoek wordt met veel dingen rekening gehouden: van de hoogte van de windmolen en de positie van de zon tot posities van woningen. Het onderzoek levert een plattegrond op waarop staat hoe de slagschaduw zich over het gebied rondom de windmolen beweegt. Verder geeft het onderzoek antwoord op de vraag of een stilstandvoorziening nodig is (vaak wel) om aan de conceptnorm te voldoen en hoe vaak de windmolen dan stil moet staan.
Ook kan voor een adres worden berekend hoeveel slagschaduw de gevel van bijvoorbeeld die woning raakt. Dat kan via een slagschaduwkalender. Die laat zien op welke dagen en op welke tijden slagschaduw bij die woning kan ontstaan. Met het slagschaduwonderzoek kunnen we bepalen waar we verantwoord een windmolen kunnen plaatsen. Het bevoegd gezag -vaak een gemeente of provincie- besluit of er uiteindelijk wel of geen toestemming komt voor het plan. Het onderzoek is ook voor omwonenden heel nuttig, omdat er veel informatie in staat over de te verwachten slagschaduw op hun adres.
Hoe zorgen we ervoor dat de norm niet wordt overschreden?
Uiteindelijk gaat het erom dat de slagschaduwnorm bij woningen in werkelijkheid niet wordt overschreden. Dat kan met een stilstandvoorziening. Dit is slimme apparatuur in de windmolen die precies bijhoudt wanneer welke woning door slagschaduw wordt geraakt. Als er meer dan zes uur per jaar of meer dan twintig minuten slagschaduw per dag dreigt te ontstaan bij een woning, zet die apparatuur de windmolen tijdelijk stil om te voorkomen dat er te veel slagschaduw ontstaat.
Er zit een lichtsensor op de windmolen. Die meet of de zon schijnt en dus of er schaduw kan ontstaan. Speciale software in de windmolens weet waar elk huis in de omgeving staat. Die software weet ook hoe lang de schaduw is op elk moment van de dag en waar de slagschaduw kan ontstaan. Met al die informatie berekent de software hoeveel slagschaduw een woning al heeft geraakt. En als dat te veel dreigt te worden, zet deze software de windmolen stil. De windmolen begint dan weer te draaien als de zon ver genoeg is gedraaid, zodat de slagschaduw de woning niet meer kan raken.
In de conceptnorm staat dat voor elke windmolen een logboek moet worden bijgehouden. Alle gegevens die relevant zijn om de ontstane slagschaduw bij een gebouw te bepalen, moeten in dit logboek staan. In elk geval moet in het logboek voor elk slagschaduwgevoelig gebouw (denk aan woningen) een slagschaduwkalender staan. In die kalender staat hoeveel slagschaduw er theoretisch maximaal per jaar bij dat gebouw kan ontstaan. Verder moet in het logboek staan hoeveel slagschaduw per jaar bij elk slagschaduwgevoelig gebouw daadwerkelijk is ontstaan.
Welke norm geldt zolang er geen landelijke norm is?
Dat er nu geen landelijke norm geldt, betekent niet dat er geen windmolens kunnen worden geplaatst. De Raad van State benadrukte in de uitspraak in juni 2021 dat er voor een specifiek project, een specifieke lokale norm kan worden vastgesteld. De voorwaarde voor een dergelijke norm is dat er een goede, op de lokale situatie toegesneden motivatie aan de norm ten grondslag ligt. Of dit mogelijk is, moet per project worden besproken met betrokken overheden.
Lees meer hierover op de website van de Raad van State en de Helpdesk Wind op Land. Overigens wordt vaak pas bij het beoordelen van een vergunningaanvraag bekeken welke norm van toepassing is. Tussen de start van een project en de aanvraag van een vergunning kunnen meer jaren zitten.
De bronnen voor dit artikel zijn met name de nota van toelichting die onderdeel is van de concept slagschaduwnorm en het uitgebreide onderzoeksrapport (planMER) dat is opgesteld ter onderbouwing van de concept landelijke slagschaduwnorm.
Wanneer wij een windturbine of windpark willen ontwikkelen zijn er veel onderzoeken die uitgevoerd moeten worden voordat we een vergunning kunnen aanvragen. Dat zijn onderzoeken naar bijvoorbeeld geluid, slagschaduw, veiligheid en ecologie. Wij geven daarvoor opdrachten aan gespecialiseerde onderzoeksbureaus. Deze onderzoeken moeten vaak worden uitgevoerd volgens methodes die zijn vastgelegd in wet- en regelgeving. De uitkomsten van de onderzoeken en de wijze van onderzoeken worden ingediend bij het bevoegd gezag (de gemeente of provincie) als onderbouwing van de aanvraag voor een vergunning. Het bevoegd gezag kan toetsen – regelmatig ook met hulp van onafhankelijke experts - of het onderzoek juist is uitgevoerd.
Wij en de onderzoeksbureaus hebben geen belang bij ‘verbetering’ van de onderzoeksresultaten. Als later blijkt dat de gegevens niet kloppen, kan dat ons en de adviesbureaus aanzienlijke problemen opleveren. Daarom hechten wij en de onderzoeksbureaus aan zo zorgvuldig en feitelijk mogelijk onderzoek.
Uit het onderzoek dat hier tot nu toe naar is gedaan, blijkt dit relatief beperkt te zijn tot mogelijk enkele procenten. Uiteraard kan een windmolen invloed hebben op de waarde van woningen, maar dit is niet anders dan de invloed van bijvoorbeeld wegen, bedrijven, schuren of andere ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van de woning. Ook is uit onderzoek gebleken dat dit mogelijk negatieve effect tijdelijk kan zijn, dus dat de waarde van een woning na een tijdje weer stijgt.
Meer hierover leest u ook bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Rondvraag door kranten
Regionale kranten Tubantia, de Gelderlander en de Stentor hebben in de afgelopen jaren omwonenden van windmolens gevraagd hoe het is om in de buurt van windmolens te wonen.
Tubantia deed dit in 2025 in Duitsland. Daarbij deed de krant ook zelf geluidsmetingen. Klik hier om het eerste deel van het artikel te lezen en klik hier om het tweede deel van het artikel te lezen.
Klik hier om het artikel in De Gelderlander (2015) te lezen en klik hier om het artikel in de Stentor te lezen (2016).
Onderzoek TNO onder omwonenden van vier windparken
Onafhankelijk kennisinstituut TNO vroeg aan duizenden omwonenden van vier windparken verspreid door Nederland hoe zij het windpark beleven. Klik hier om het volledige rapport (2022) met alle bevindingen te lezen. Meer hierover leest u ook bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Onderstaande grafiek komt uit dit rapport (tekst loopt door onder de afbeelding):
Omwonenden en bedrijven rond windmolens in Deventer
Verder is aan omwonenden en bedrijven rond twee windmolens in Deventer gevraagd hoe zij deze windmolens beleven. Meer daarover leest u hier en hier.
Omwonende van windmolen in 's-Hertogenbosch
Duurzaam energiebedrijf Pure Energie heeft aan Nanette Hagens, omwonende van de windmolen in 's-Hertogenbosch, gevraagd hoe het is om in de buurt van die windmolen te wonen. Lees hier het interview met haar of klik hier voor de video van het interview.
Peiling Inwonerspanel gemeente Ede
Sinds mei 2015 staan in Ede twee windmolens aan de westzijde van de A30, ter hoogte van bedrijventerrein A12. In september 2015 is een peiling uitgevoerd onder het Inwonerspanel van de gemeente Ede om de mening van bewoners over windmolens in Ede in beeld te brengen. Klik hier om de resultaten daarvan te lezen.
De meeste inwoners hebben weinig last van de windmolens, blijkt uit de peiling van de gemeente Ede. Het overgrote deel (87 procent) ervaart geen overlast. Met overlast bedoelen inwoners vooral landschapsvervuiling; geluidsoverlast komt sporadisch (1x) voor. Van de inwoners die weten dat er windmolens zijn, geeft 83 procent aan ze niet te zien of te horen. Twee inwoners geven aan dat zij de windmolens kunnen zien en horen en 16 procent geeft aan de windmolens te kunnen zien.
Natuur & Milieu spreekt omwonenden
Ook Natuur & Milieu heeft omwonenden van windmolens gesproken. Lees hier de artikelen daarover.
Onderzoek van het CBS
Uit onderzoek van het CBS (oktober 2018) blijkt dat bijna 70 procent van de Nederlanders er geen moeite mee heeft of er neutraal tegenover staan als er windmolens in hun woonomgeving komen. Lees hier het volledige onderzoeksrapport.
Door een combinatie van vocht en kou kan er ijsvorming op de wieken van windmolens ontstaan. Maar wanneer de wieken draaien of het begint te dooien, kan dit ijs naar beneden vallen. En dat is mogelijk gevaarlijk voor de omgeving. Daarom houden we verwachte weersomstandigheden goed in de gaten. Wanneer er kans is op ijsvorming op de wieken, worden de windmolens preventief stilgezet: handmatig of via een automatisch ijsdetectiesysteem. Veiligheid gaat boven productiviteit.
Windmolens met een tiphoogte van 150 meter of hoger moeten worden verlicht met obstakelverlichting. Overdag is de verlichting wit en 's avonds en ’s nachts rood. De lampen zijn verplicht vanwege de vliegveiligheid. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bepaalt op basis van internationale richtlijnen waar de verlichting een windmolen aan moet voldoen.
Zijn de lampen op een windmolen knipperend of vastbrandend?
Vroeger moesten de rode lampen 's avonds en 's nachts knipperen, maar omdat omwonenden aangaven dit hinderlijk te vinden hoeft dat niet meer. De lampen mogen nu ook vastbrandend zijn. Bij een groot windpark kan het ritme van de witte knipperende verlichting overdag op alle windmolens gelijk worden afgesteld. Dat geeft een rustiger beeld.
Lampen op de gondel en op de mast
Bij windmolens met een tiphoogte van 150 meter of hoger, komen er altijd lampen op de gondel (het ‘huisje’ bovenop de mast van de windmolen). Bij windmolens met een tiphoogte van meer dan 150 meter moeten ook halverwege de mast lampen komen. Bij windmolens met een tiphoogte van 210 meter of hoger moeten er volgens de regels ook op 1/3 en 2/3 hoogte van de mast lampen komen. Deze lampen op de mast branden minder fel dan de lampen op de gondel.
Lampen dimmen bij helder weer
Bij helder weer mogen de lampen worden gedimd. Hoe helderder het weer, hoe verder de lampen mogen worden gedimd. Dat mag tot 10 procent van hun gebruikelijke sterkte (dus een reductie van 90 procent van de lichtsterkte).
Nieuwe techniek: lampen alleen aan bij naderend vliegverkeer
De zoektocht naar obstakelverlichting die nog minder hinder veroorzaakt, gaat intussen door. Er wordt bijvoorbeeld gekeken naar lampen die uit staan en pas aan gaan als er een vliegtuig in de buurt is. Dat kan met behulp van zogeheten transpondertechnologie; ook wel naderingsdetectie genoemd. Na een succesvolle test bij een windpark in Zeeland mag naderingsdetectie in principe worden toegepast. Hiervoor moeten de komende tijd de regels aangepast worden. Bij nieuwe windparken van Pure Energie waar deze techniek een zinvolle bijdrage aan het voorkomen van lichthinder lijkt te zijn, wordt erop ingezet om transpondertechnologie toe te passen. Voorwaarde hiervoor is wel dat ILT hiervoor toestemming geeft bij dat specifieke windpark.
Meer informatie over obstakelverlichting leest u op de website van de Rijksoverheid.
Draaiende windmolens kunnen effect hebben op vogels en vleermuizen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat vogels windmolens ontwijken (barrièrewerking), wat invloed kan hebben op de mogelijkheden voor vogels om hun foerageergebied te bereiken, of dat ze tegen de wieken aanbotsen. Ook vleermuizen kunnen last hebben van windmolens. Daarom voeren we bij elk initiatief voor windmolens een ecologisch onderzoek uit. Daarbij wordt onder andere gekeken in hoeverre extra sterfte van vogels en vleermuizen te verwachten is, of dit gevolgen heeft voor de instandhouding van de populatie en of er maatregelen nodig zijn. We moeten hierbij voldoen aan de Wet natuurbescherming. Overigens is de sterfte van vogels door een aanvaring met een wiek zeer gering vergeleken met andere doodsoorzaken zoals katten, verkeer, ramen, landbouw, jacht, en hoogspanningsleidingen.
Er sterven wel insecten door windmolens, net zoals bij verkeer, maar voor zover bekend vormen windmolens geen gevaar voor de insectenpopulatie. Er is in 2018 een Duitse studie gedaan, waaraan ook in Nederland aandacht is besteed, maar er zijn de nodige kanttekeningen te plaatsen bij de zorgvuldigheid van deze studie. Daarnaast zijn er menselijke factoren van insectensterfte die een vele malen grotere invloed lijken te hebben op insectensterfte dan windmolens of verkeer. Zie voor meer informatie ook de factcheck van Nu.nl.
De kans is heel klein en als het al gebeurt, is dat in zeer kleine hoeveelheden. BPA is een component dat wordt gebruikt bij de productie van de bladen van windmolens, maar het wordt vrijwel volledig omgezet tijdens het chemische proces. In het eindproduct kan een kleine hoeveelheid niet-omgezette BPA aanwezig blijven. Deze overgebleven hoeveelheid BPA verschilt per product, maar ligt in de ordegrootte van 0,001 tot 0,01%.
Dit is in lijn met het onderzoek dat de provincie Flevoland heeft laten doen naar het vrijkomen van BPA en microplastics door windmolens. Op 28 oktober 2024 is het rapport ‘Risico’s van windmolens op bodem- en watersysteem’ vastgesteld. Klik hier om het te bekijken. Het rapport laat zien dat het verband tussen windturbines en BPA in het milieu verwaarloosbaar is. Daarnaast is de hoeveelheid die via windturbines in het milieu komt, verwaarloosbaar in vergelijking met andere bronnen zoals verkeer, industrie en landbouw. De verwachte verhoogde concentraties BPA in de grond en het watersysteem zijn in Flevoland zo klein dat ze niet te meten zijn.
Omdat we geen kunststoffen in het milieu willen brengen (ook al zijn het zeer kleine hoeveelheden) en omdat we willen dat de windmolens optimaal werken, houden wij tijdens onderhoud goed in de gaten of er sprake is van beschadiging of slijtage. Als het nodig is nemen we snel actie.
Voor zover bij ons bekend hebben windmolens geen invloed op het bodemleven rondom de fundering van de windmolen.
Windmolens hebben hierop geen invloed. De netbeheerder is verantwoordelijk voor de kwaliteit en continuïteit van het netwerk en houdt daarbij rekening met de teruglevering die is toegezegd aan particulieren. Voor windmolens wordt een eigen terugleverovereenkomst afgesloten met de netbeheerder. Daarvoor toetst de netbeheerder of er genoeg ruimte is op het netwerk.
Daarnaast voeden windmolens in op het middenspanningsnet en huizen via onderstations van het laagspanningsnet. Als bij een particulier een omvormer uitschakelt, dan is de oorzaak daarom meestal te vinden op wijkniveau: bijvoorbeeld de toename van het aantal zonnepanelen in de wijk. Simpel gezegd kan het netwerk in de wijk de hoeveelheid zonnestroom dan niet goed verwerken. Als er terugleverproblemen zijn, dan moet dit meestal op wijkniveau worden opgelost.


